Verzorgingstehuis Babylon

Verzorgingstehuis Babylon

Verpleger Johan loopt in de tuin per ongeluk tegen mevrouw Hermans op.
‘Oeps, excuses mevrouw Hermans, ik had u niet zien staan.’
‘Dat heb ik wel vaker, niemand ziet mij ooit staan.’
Het spijt me dat te horen, kan ik het goed maken?
‘Dat hangt er vanaf hoe goed u bent in het maken.’
‘Ik bedoel, kan ik iets voor u betekenen?’
‘U betekent heel veel voor me, want ondanks dat u mij niet zag staan bent u mij toch tegen het lijf gelopen.’
‘Dat is fijn voor u, maar ik bedoelde of ik iets voor u kon doen.’
‘Dat hangt toch niet van mij af, ik weet niet waartoe u allemaal in staat bent.’
‘Kan ik u misschien iets aanbieden, tegen de schrik?’
‘Dat is erg vriendelijk van u, doet u mij maar een aanbod.’
‘Wat dacht u van een verfrissing?’
‘Nee dank u, het is al fris genoeg. Ik heb meer behoefte aan een hartverwarmend aanbod.’
‘Ah, een warme kop koffie dan?’
‘Nee, koffie is niet goed voor het hart, maar aan warmte heb ik wel behoefte. Het is gebroken, ziet u.’
‘U heeft een gebroken hart? Zo hard ben ik toch niet tegen u aan gelopen?’
‘Nee, het was al gebroken, en alleen warmte kan het weer heel maken. En U vroeg hoe u het goed kon maken.’
‘Ja, dat is waar, maar een gebroken hart helen is niet eenvoudig, dat heeft tijd nodig, en veel tijd heb ik niet.’
‘Als u goed bent in maken, is tijd maken toch een koud kunstje?’
‘Ik wou dat het zo was mevrouw, want tijd heelt alle wonden.’
‘Ik ben niet gewond hoor, ik heb alleen een gebroken hart.’
‘Ik zie niet in hoe ik u daarmee kan helpen.’
‘Door even tijd voor mij te maken.’
‘Nou vooruit dan, wilt u wandelen of ergens gaan zitten?’
‘Nu neemt u een loopje met me!’
‘Nee hoor, ik wil best een stukje met u wandelen. Welke kant zullen we op gaan?’
‘Laten we in een cirkel lopen, dat is een stap in de goede richting.’
‘Prima!, kijk, we zijn al bijna bij de ingang. Zal ik u weer naar binnen brengen?’
‘Dat is erg vriendelijk van u, het is toch wel frisjes buiten.’
‘Kom, ga hier maar zitten, dan ga ik een kopje thee voor u halen.

Johan laat mevrouw Hermans achter in de huiskamer bij de rest van de bewoners.

‘Die aardige meneer heeft me zojuist thuisgebracht, weet u ook hoe hij heet?’
‘Nee, maar hij komt me bekend voor, ik denk dat het mijn zoon is, maar zeker weten doe ik het niet.’
‘Aardige jongen, die zoon van u, en hartspecialist is een mooi beroep!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *