Een kwestie van tijd

André Kempenaar was een man van gewoontes. Gewoontes die hij veelal van zijn ouders had overgenomen. Een van die gewoontes was bloemkool op donderdag, en vandaag wás het donderdag. Ditmaal met een gehaktbal, want vorige week had hij bloemkool met een saucijs gegeten. De keuken in het na-oorlogse appartement op de vierde verdieping was niet erg groot, maar voor een man alleen ruim voldoende. Bovendien had zijn moeder hier vroeger voor hun drieën gekookt, en toen was het ook groot genoeg geweest. Om de lucht zoveel mogelijk uit het huis te houden had hij de balkondeur op een kier gezet, en hield hij de deur naar de hal dicht. Tevreden schepte André zijn bord vol, aardappelen, bloemkool, één gehaktbal en wat jus. Op dat moment ging de bel van de voordeur. Enigszins geërgerd stapte hij de hal in en loerde door het spionnetje in de voordeur. De man die voor de deur stond merkte de bloemkoollucht buiten al op. Het was een magere, oudere man, gekleed in een keurig donkergrijs gestreept pak, en hij droeg een aktetas bij zich. Met enige weerzin opende André de voordeur terwijl hij zich afvroeg hoe de man het portiek was binnengekomen, want de intercom had hij niet gehoord.

‘Hein is de naam’, sprak hij, terwijl hij zijn hand uitstak.
‘Ja, wat kan ik voor u doen?’, vroeg André zonder de uitgestoken hand aan te nemen.
‘Ik kom in verband met uw overlijden’, antwoordde meneer Hein koeltjes.
André was een ogenblik verward. ‘Ik heb al een overlijdensverzekering, dank u’, hernam hij zichzelf, en wilde de deur weer sluiten.
‘Dat komt dan goed uit voor u’, antwoordde meneer Hein, terwijl hij resoluut een stap naar voren deed.
Met tegenzin, maar toch enigszins nieuwsgierig opende André de deur verder en liet hem binnen.

‘Ik stond net op het punt aan tafel te gaan’, sputterde hij nog, maar meneer Hein verontschuldigde zich alleen maar door op te merken dat hij nooit gelegen kwam en vroeg of ze even konden gaan zitten. André ging hem voor naar de huiskamer. Net als de rest van het huis was de huiskamer ooit ingericht door zijn ouders en had André er nooit iets aan veranderd. Meneer Hein ging zitten aan de salontafel en opende de aktetas, waar hij een laptop en een formulier uithaalde. De laptop zette hij voor zich op het plavuizen blad, het formulier hield hij op zijn schoot. André had tegenover hem plaats genomen in de fauteuil waar vroeger zijn moeder in placht te zitten.

Terwijl meneer Hein bezig was met zijn laptop nam André de man eens goed op. Hij had keurig grijs haar, alhoewel het iets te lang was, een ingevallen gezicht, dunne lippen en lange tanden. Zijn handen waren smal, met lange vingers. Geen ring en geen horloge. De enige opsmuk die André kon ontdekken was een gouden speldje in de vorm van een zeis dat in zijn linker rever stak. Meneer Hein bemerkte zijn blik. ‘Het is symboliek’, zei hij met een kort glimlachje. ‘Vroeger liep ik met een echte zeis rond, en een lange mantel. Erg onhandig was dat.’ Hij blikte even terug op zijn laptop, en stak van wal:
‘Ja ziet u, uw overlijden staat gepland voor aanstaande donderdag, precies over één week en een uur dus.’
‘Ja maar’, probeerde André ontdaan, maar hij werd in de rede gevallen door zijn gast, terwijl die het formulier aan hem overhandigde: ‘U gaat een ongeluk krijgen, niet ver hier vandaan. De details staan op dit formulier.’
André nam het formulier met een klamme hand aan.
‘U maakte een geintje, toch?’, vroeg hij onzeker.
‘In tegendeel meneer Kempenaar, ik ben doodserieus! Ik plan al deze voorvallen zeer nauwkeurig, al schijnen de meeste mensen dat helaas niet te waarderen.’
‘Neemt u mij niet kwalijk’, verontschuldigde André zich,’het overvalt me een beetje.’
‘Dat hoor ik wel vaker’, antwoordde meneer Hein. ‘Voor de goede orde zal ik alles even met u doornemen.’ Kijkend op zijn laptop vervolgde hij: ‘U krijgt een ongeluk met de fiets op de kruising van de Meppelweg en de Leyweg, hier verderop. Alles staat beschreven op het formulier, en ik verzoek u met nadruk niet van de planning af te wijken. Mag ik u erop wijzen dat het ongeluk plaatsvindt op negentien uur achtendertig, en dat deze tijd exact aangehouden dient te worden? Dit in verband met de timing van de automobilist die het ongeluk zal veroorzaken. Door bezuinigingen moet ik het meeste alleen regelen, en ondanks dat ik tegenwoordig een laptop heb, is het een hoop werk.’

André keek naar het formulier. Het begon met zijn antecedenten; “Andreus Adrianus Kempenaar, geboren uit het huwelijk van Adrianus Hendricus Kempenaar en Margaretha Cecilia Kleinsma, op 19 mei 1983. Vader overleden op 21 april 1998, moeder overleden 14 augustus 2007”, enzovoort. Dan volgde de beschrijving van het op handen zijnde ongeluk: “Andreus Adrianus Kempenaar fietst over de Meppelweg richting de kruising met de Leyweg, alwaar hij om 19.38u ter plaatse is. Hij is voornemens de kruising recht over te steken als het stoplicht op groen gaat. Tegelijkertijd zal er van links een bestelauto komen die door rood licht rijdt terwijl de bestuurder een bericht probeert te typen op zijn telefoon. Door combinatie van deze handeling, het feit dat het donker is en de fiets geen licht voert, wordt Dhr. Kempenaar over het hoofd gezien, en zijdelings geraakt met een snelheid van 57Km/U. Dhr. Kempenaar loopt ernstig letsel op aan de schedel, de milt en de linker long. Hij zal ter plekke aan zijn verwondingen overlijden”.

Geschokt liet André het papier zakken en staarde meneer Hein recht aan.
‘Dit is toch niet mogelijk?’
‘Wat is niet mogelijk meneer Kempenaar?, heb ik ergens een fout gemaakt?, klopt er iets niet?’
‘Ik bedoel dat dit allemaal al vaststaat.’
‘Alles staat vast in het leven meneer Kempenaar, van uw geboorte tot uw overlijden. Maar die geboorte, dat doe ík niet, dat wordt door een ander geregeld. Ieder zijn vak, nietwaar?’
André staarde meneer Hein in ongeloof aan. ‘Ik weet niet wat ik nu moet voelen; angst?, woede?, verdriet?’
‘U vergeet opluchting’, zei meneer Hein nuchter. ‘Opluchting dat er een einde komt aan uw trieste bestaan. Uw moeder wist dat wel, en ondanks dat ik haar niet van te voren heb bezocht, is ze vredig heengegaan.’
‘U hebt haar niet bezocht, zoals u nu mij bezoekt?’
‘Nee, dat was niet nodig, ze wist al geruime tijd van te voren dat ze zou sterven, dat hadden de doktoren haar al verteld.’

Op dat moment sloeg de klok op de schoorsteenmantel 7 uur. “Tempus fugit”, mompelde meneer Hein, klapte zijn laptop dicht en maakte aanstalten te vertrekken. Hij stak weer zijn hand uit en ditmaal, zij het weifelend, schudde André hem de hand. Terwijl hij de man uitliet draaide die zich bij de buitendeur nog eenmaal om. ‘A propos, uw klok loopt twee minuten voor. Dat u daar volgende week rekening mee houdt’!
André beloofde het en sloot de deur. Zijn avondeten was koud geworden, en inmiddels was de eetlust hem vergaan. Hij liep de huiskamer in en ging weer zitten. Hij staarde naar zijn vader’s stoel waar zoëven meneer Hein had gezeten. Hij sloot zijn ogen, en verzonk in gedachten. De klok sloeg middernacht toen hij wakker schrok. ‘Twee voor twaalf’, dacht hij bij zichzelf, en besefte tegelijkertijd de diepere betekenis van die gedachte.

André liep zijn slaapkamer in. Diezelfde slaapkamer die altijd zijn slaapkamer was geweest, Ook na het overlijden van zijn moeder had hij nooit de behoefte gehad naar de slaapkamer van zijn ouders te verhuizen. Hij kleedde zich uit, deed zijn pyjama aan en kroop onder de dekens. Voordat hij het lampje naast zijn bed uitdeed keek hij even om zich heen. Zijn padvindersinsignes, de modelvliegtuigjes, de zelfgemaakte kandelaar…alles leek grijs. ‘Net als mijn leven’, merkte hij op, en draaide zich op zijn zij.
Ondanks een onrustige slaap stond André de volgende ochtend gewoon met het afgaan van de wekker op en ging naar zijn werk. Eenmaal in de postkamer van het verzekeringskantoor besefte hij dat zijn zicht was gereduceerd tot grijstinten, alles leek verworden tot een zwart-wit film. Alleen dié dingen die hij voor zich zag waarbij hij bedacht dat hij ze anders had moeten doen, zoals het mee uit vragen van Carla van de receptie, zag hij in kleur. Hoe vaak had hij haar niet in gedachten uitgekleed en de liefde met haar bedreven, tot die avond dat hij zag dat ze werd opgehaald door haar vriend, en begreep dat hij geen kans maakte. Carla werd weer grijs.

Hetzelfde gebeurde thuis met zijn elektrische piano, toen hij zich voorstelde dat hij meespeelde in een ruige band, met hysterische meisjes voor het podium. De piano kreeg kleur, en om hem heen waren felle lichten in allerlei kleuren. Op het moment dat hij zich realiseerde dat het er nooit van gekomen was omdat hij zich nooit kon laten gaan, werd de piano weer grijs, en het licht kwam alleen nog van de staande schemerlamp met de stoffen kap.

Zo dreigde de laatste week van zijn leven in grijsheid te vergaan. Maar elke keer als hij bedacht dat hij de dood misschien te slim af kon zijn, kreeg het weer kleur. Hij repareerde zijn fietslicht, en de lamp gaf een prachtig gelig licht. De klok op de schoorsteenmantel kreeg weer een warme houtkleur toen hij de wijzers twee minuten verder draaide. André lachte. ‘Als ik na Donderdag nog leef, ga ik mijn huis en mijn leven opnieuw inrichten! Moderne meubelen en een nieuwe keuken! Ik verhuis naar de slaapkamer van mijn ouders, met nieuw behang en een nieuw bed! En dan zoek ik een lekker wijf om mee naar huis te nemen! Wat zeg ik, iedere week een ander!’ Hij bemerkte hoe hij weer in kleur begon te zien, en dat maakte hem nog vrolijker. ‘Weet je wat, ik ga nu gelijk beginnen’!

Uit de keuken pakte hij een vuilniszak en gooide alle padvindersinsignes en modelvliegtuigjes weg. Ook de zelfgemaakte kandelaar moest er aan geloven. ‘Ik koop wel een mooie strakke moderne’, zei hij tot zichzelf, ‘voor op mijn nieuwe salontafel!’ Vijf vuilniszakken verder keek hij tevreden om zich heen. ‘Oh, en dat stomme formulier ook!’, bedacht hij. Hij nam het formulier van de salontafel en wilde het in de laatste vuilniszak stoppen, maar toen bedacht hij zich. Hij durfde er niet op te kijken, maar vouwde het twee keer dubbel en stak het in zijn achterzak. Hij ging achter zijn piano zitten en begon ‘Saturday Night’, van Herman Brood te spelen, en het lukte aardig.

André bedacht dat die band er eindelijk maar eens van moest komen, en pakte het muziekblad waarop hij geabonneerd was uit de lektuurbak, die hij daarna direct in een nieuwe vuilniszak stopte. Op de laatste pagina’s stonden een soort contactadvertenties voor muzikanten, en hij vond wat hij zocht. “Toetsenist gezocht voor beginnend rockbandje in Den Haag”. André belde op. Iemand nam op met ‘Hallo met Ger’, en André stelde zichzelf voor. Het werd een geanimeerd gesprek. Ger bleek gitarist, en had al een paar bandleden bij elkaar. ‘Iedere Donderdag repeteren we in ‘Het keldertje’, aan het Veluweplein’, vertelde Ger, ‘er is ook een keyboard, dus je hoeft niets mee te nemen. Kun je morgen om acht uur?’
‘Dat komt prima uit. Ik zal er zijn!’

André had een meer dan goed humeur. ‘Als ik om kwart voor acht vertrek, kan ik om acht uur op het Veluweplein zijn’, bedacht hij. ‘Bovendien ben ik dan te laat voor dat ongeluk.’
De volgende dag verliep vol kleur. De enveloppen in de postkamer waren van het helderste wit, en Carla droeg een kleurig topje waar haar borsten mooi in uitkwamen. Haar lippen leken vuurrood en haar ogen waren opgemaakt met lichtblauwe en lila make-up. De dag vloog voorbij, en André bedacht dat hij vandaag eens iets anders zou eten dan die eeuwige bloemkool. Op weg naar huis kwam hij langs een chinees restaurant, waar hij nasi goreng bestelde om mee te nemen.

Eenmaal thuis was André op van de zenuwen. Hij had een paar happen van de nasi genomen, maar bedacht dat hij beter nog even kon oefenen op de piano. Na een paar akkoorden bedacht hij dat hij beter maar even een douche kon nemen en wat vlotters aan moest trekken om een goede indruk te maken bij de bandleden. Hij kleedde zich uit in zijn slaapkamer en stapte onder de douche. Het warme water kalmeerde hem enigszins maar stimuleerde ook zijn warme gevoelens voor Carla. Hij trok zich af. Dat kalmeerde hem meer.
‘Er is een tijd van komen’, grinnikte hij tot zichzelf, ‘en er is een tijd van gaan’, vervolgde hij ontnuchterd, terwijl hij de kraan dichtdraaide. Met een handdoek om zijn middel wierp hij een blik op de klok in de huiskamer. ‘7 uur, ik moet gaan!’

Snel trok hij een schoon t-shirt en zijn spijkerbroek aan.
Jas aan, en naar de kelderbox voor zijn fiets. André voelde zich licht in zijn hoofd.
Het was nog een eindje trappen, en ondanks dat het begin februari was, had André het ontzettend warm. Hij trapte zich een ongeluk om zo vroeg mogelijk bij de kruising te zijn, wat hem lukte.
Het licht was rood, maar er kwam geen verkeer aan dus reed André door. Op het moment dat hij het verkeerslicht passeerde zag hij in zijn ooghoek dat het licht op groen sprong, maar het was al te laat.

De klap was enorm. Voor een moment was het stil. André krabbelde overeind maar zijn lichaam bleef liggen. Daar stond hij, verward naar zichzelf te kijken terwijl het bloed uit zijn hoofd gutste. Er stroomden wat mensen toe die stil bleven staan kijken. De chauffeur stapte uit de auto en keek geschokt naar het levenloze lichaam dat voor zijn busje op de grond lag.
Al snel waren een ambulance en een politieauto ter plaatse.
Terwijl een ambulancebroeder vaststelde dat André was overleden, sprak een politieagente met de bestuurder.
‘Hij reed door rood, en hij had geen licht’, verdedigde de bestuurder zich. De agente nam een nader kijkje naar de fiets. De dynamo stond niet op het wiel. Geen van de omstanders had gezien of André door rood licht had gereden.
Uit de menigte maakte zich een magere man los.
‘Meneer Kempenaar, fijn dat u zo punctueel was. Gaat u mee?’ André herkende meneer Hein en knikte. Terwijl ze wegliepen mompelde André dat hij het helemaal geen opluchting vond, en dat zijn leven eindelijk kleur had gekregen.
‘Dat hoor ik wel vaker’, antwoordde meneer Hein kort. Zwijgend losten ze op in het donker.

De ambulancebroeder vroeg of ze het stoffelijk overschot konden weghalen. De agente vroeg op haar beurt of ze eerst zijn zakken kon nakijken, waarop ze een bebloed stuk papier uit de achterzak van het slachtoffer haalde en openvouwde.
Haar collega kwam naast haar staan en keek mee over haar schouder terwijl het lichaam in de ambulance werd geladen.
‘Moet je nou kijken, dát is handig!’ Op de bovenste helft van het formulier stonden de antecedenten van het slachtoffer. De rest was onleesbaar geworden door al het bloed.
‘Dat scheelt ons weer een hoop werk van Zanten, hiermee hebben we zijn familie zo te pakken.’

De volgende dinsdag stond Riet Kleinsma met een opkoper in het appartement van wijlen haar neef. Hij liet zijn blik vallen op het zestiger jaren klokje op de schoorsteenmantel.
‘Voor dat klokje wil ik wel een tientje geven’, zei hij terwijl hij het oppakte. ‘Als die had gelopen zou hij gauw tachtig euro waard geweest zijn.’
Tante Riet nam het klokje uit zijn handen, draaide het om en wond de sleutel aan de achterkant op. Het begon weer te lopen.
‘Voor tachtig euro mag je het meenemen.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *