Dakloos

Tom stond stil. Hij had al drie kwartier gelopen vanaf zijn slaapplek onder een brug achter Madurodam. Zijn linkerschoen was kapot en zijn voet was nat en schraal. Maar dat waren niet de redenen waarom hij stilstond. Even verderop in de Anna Paulownastraat liep een stelletje al etend over straat. Toen de afstand naar zijn mening groot genoeg was volgde hij ze, met zijn fiets die met al zijn bezittingen behangen was, aan zijn hand. Dan kwam het moment waarop hij hoopte; de jongen van het stel gooide het restant van wat hij aan het eten was in een afvalbak. Het stel liep geanimeerd pratend verder. Tom wachtte nog even tot ze wat verder waren, zette zijn fiets tegen de afvalbak, en stak zijn hand erin. Hebbes! Een half broodje met sla, tomaat en brie. Tevreden kauwend keek hij het stel na. Nu gooide in de verte ook het meisje weg wat ze aan het eten was, gewoon op het trottoir. Tom pakte zijn fiets en liep gehaast in de richting van de plek waar ze haar eten had weggegooid. Te laat! Een kraai vloog weg met een flink stuk van een broodje en liet Tom het nakijken. Hij moest verder, hij was al aan de late kant voor het grofvuil in het Transvaalkwartier, waar hij hoopte nieuwe schoenen te vinden. Hij ging rechts van het water over de Toussaintkade, omdat er langs die kant woonhuizen stonden, waar misschien wel vuilnis buiten stond. Je wist maar nooit!

Halverwege langs de gracht hoorde hij achter zich een plons, gevolgd door een hoge gil. Hij keek om, het geluid kwam van de Prinsessewal, aan de overkant van het water. Meer gegil, en toen zag hij een kinderbuggy langzaam zinken in de gracht. Tom liet zijn fiets vallen, trok zijn jas uit en sprong in het water. De buggy was verdwenen. Hij ademde diep in en dook naar beneden. Hij tastte om zich heen in het troebele water en vond de greep van de buggy. Hij probeerde hem naar boven te trekken, maar hij was te zwaar. Met één hand hield hij de greep vast en stak zijn hoofd boven water om naar adem te happen. Er stonden nu meerdere mensen langs de kade die door elkaar schreeuwden. Tom dook weer onder water en vond het vastgesnoerde kindje in de buggy. Het leek een eeuwigheid te duren voordat hij het gordeltje los had. Tom liet de buggy los, en schoot met het kind naar de oppervlakte. Nu stonden er al tientallen mensen langs de kades die schreeuwden en hem aanwijzingen gaven, maar niemand had verder het lef om hem te hulp te schieten. Tom keek om zich heen. De kade was aan beide zijden te hoog om uit het water te komen, maar iets verder lag een schuit afgemeerd die als terras voor een café diende. Met het kindje op zijn borst zwom hij er ruggelings naartoe. Twee van de omstanders sprongen op de schuit en een van hen nam het kind van hem aan, terwijl de ander Tom aan zijn trui en broekriem uit de gracht sleurde. Hij zakte uitgeput in elkaar en verloor even het bewustzijn. Toen hij weer bijkwam hoorde hij gehuil. Het kindje had het overleefd! Applaus klonk in de achtergrond uit de toegesnelde menigte.
Tom werd in een ambulance gezet en naar het Westeinde ziekenhuis gereden, waar ze hem een paar dagen ter observatie zouden houden. De volgende dagen was het een komen en gaan van mensen die iets van hem moesten: De moeder van het kindje, ene mevrouw van Herwijnen, kamerlid voor de Partij van de Arbeid, kwam hem bedanken, vergezeld van een fotograaf. Hij kreeg bloemen en daarvan verscheen een kiekje in de ‘de Posthoorn’. Dat had weer als gevolg dat ook de burgemeester op kwam dagen met een fotograaf. Een dag later stond er een foto in het AD waarop te zien was hoe Tom werd onderscheiden door burgemeester van Aartsen. Zo ging het nog een tijdje door, en het leek alsof iedereen die langskwam dat alleen maar deed om zelf in een goed blaadje te komen. Behalve Anna, de verpleegster in de nachtdienst. Ze kwam ’s avonds laat bij hem zitten, en luisterde naar wat hij had meegemaakt als zwerver, en in de tijd daarvoor, toen hij nog leraar Frans was. Ze waste thuis Tom’s kleren, en kocht nieuwe schoenen voor hem met geld dat ze ingezameld had onder collega’s op de afdeling.
Na een paar dagen kwam er ook iemand langs van de administratie van het ziekenhuis. Of Tom ook even zijn BSN-nummer kon doorgeven, en waar hij verzekerd was.
‘BSN-nummer?, verzekerd?, ik heb al die dingen niet mevrouw, ik ben dakloos.’ Tom glimlachte bij zijn antwoord, maar de dame van de administratie kon er de humor niet van inzien.
Zonder iets te zeggen liep ze de kamer uit, om even later terug te komen met twee mannen van de beveiliging. Ze drukte hem een envelop met een rekening in zijn handen, en vervolgens werd hij door het beveiligingspersoneel naar buiten geëscorteerd en gesommeerd niet meer op het ziekenhuisterrein te verschijnen. Tom haalde zijn schouders op. Hij was het gewend om weggestuurd te worden, en begon terug naar zijn plek onder de brug achter Madurodam te lopen.
Toen Anna die avond hoorde wat er was gebeurd, was ze furieus. Op hoge poten deed ze haar beklag bij de dienstdoende arts: ‘Die man was hier ter observatie, die kun je toch niet zomaar wegsturen? Bovendien is hij een zwerver, hij heeft niet eens een huis om naar toe te gaan!’
‘Hij is niet door mij weggestuurd maar door de administratie’, antwoordde hij koeltjes, ‘ik kan er niks aan doen.’
Anna liet het er niet bij zitten; de volgende ochtend, na haar dienst, stapte ze naar de directeur, maar die bleek niet gevoelig voor Anna’s argumenten. Bovendien vond hij haar houding weinig professioneel, duidend op de emotionele band die ze blijkbaar met de patiënt had.
Verbitterd ging Anna naar huis. Ze raapte de post van de deurmat en legde hem op het haltafeltje.
‘Daar kijk ik later wel naar’, dacht ze, ‘nu eerst naar bed.’
Ze verviel in gedachten en kon de slaap niet vatten. ‘Harteloze klootzakken zijn het allemaal, niemand interesseert zich hier nog voor de problemen van een ander.’ Uiteindelijk viel ze toch in slaap. Na het avondeten trok Anna haar jas aan en fietste naar Madurodam. De miniatuurstad was prachtig verlicht, en hier en daar kon ze door de struiken een glimp van de toeristische attractie opvangen. Maar daarvoor was ze niet naar hier gekomen.
‘Waar is die brug?’, vroeg Anna zich hardop af terwijl ze in het rond keek. Ze ontdekte een fietspad rechts naast Madurodam, dat langs een gracht voerde. Vergeleken met de drukte van Madurodam was het er akelig stil en donker. Rechts was water, en links van haar een bos. Een enkele jogger passeerde haar, maar verder was het er verlaten. Even verder kwam ze bij een kruising, met een brug over de gracht. Ze zette haar fiets op de brug en probeerde zich naast de brug een weg door de struiken te banen. Het liep er steil af naar de waterkant, en voordat ze wist wat er gebeurde verloor ze haar evenwicht en rolde voorover naar beneden. Net voordat ze het water in zou tuimelen werd ze bij haar jas gegrepen.
‘Leuk dat je me op komt zoeken’, zei Tom, ‘maar je had niet met de deur in huis hoeven vallen.’
Anna probeerde te glimlachen, maar ze was zich rotgeschrokken.
‘Kom, dit is geen plek voor een dame, laat me je naar huis brengen op je fiets’, stelde Tom voor, ‘ga jij maar achterop zitten.’
Thuisgekomen wees ze Tom waar de theepot stond, en nam een douche, om even later in een joggingpak en met een handdoek om haar hoofd weer te verschijnen. Tom schonk de thee in en keek haar meewarig aan.
‘Als alles verder goed is met je ga ik er maar weer vandoor’, zei hij.
‘Geen sprake van!’, zei Anna resoluut. ‘Je blijft voorlopig bij mij logeren. Ik heb nog een kamertje waar je zolang kunt slapen. Mijn nachtdienst begint zo meteen, dus ik moet naar mijn werk.
Bij het weggaan liep ze langs het haltafeltje. Ze bladerde even door de post. Er zat een brief met een vreemde postzegel tussen de foldertjes. Ze bekeek de achterkant. Uit Frankrijk.
‘Tom, jij kunt toch Frans lezen? Zou jij eens willen kijken wat dit is?, ik moet nu echt gaan’.
Anna gaf de envelop aan Tom en vertrok.
De volgende ochtend toen ze thuiskwam had Tom al thee gezet en een eitje voor haar gekookt.
‘Wat stond er in die brief?’, vroeg ze tussen twee slokken thee.
‘Geen goed nieuws ben ik bang’, antwoordde Tom, ‘je tante Sandra is overleden.’
‘Tante Sandra?’, ach ja de zus van mijn moeder, ik kende haar nauwelijks. Is het een uitnodiging voor de begrafenis?’
‘Nee’, zei Tom,’die is blijkbaar al geweest, dit is een schrijven van een notaris. Je wordt verzocht contact op te nemen in verband met de erfenis.’
‘Een erfenis?, wat aardig van mijn tante. Alleen mijn Frans is niet zo heel goed, zou jij willen bellen Tom?’
‘Natuurlijk!, ik zal het gelijk doen.’
Tom pakte de telefoon, en sprak met de notaris. Na wat ‘oui, oui, je comprends’ en ‘mercie bien’, hing hij weer op. Anna stond naast hem met grote vraagtekens in haar ogen.
‘En?’
Tom aarzelde even, en toen glimlachte hij.
‘Je hebt een huis geërfd, met een wijngaard’.
Anna’s mond viel open van verbazing, maar na een moment hernam ze zich. Ze liep de slaapkamer in en trok een koffer onder haar bed vandaan die ze begon te vullen met kleding. Tom bleef niets begrijpend op de bank zitten tot Anna weer in de huiskamer verscheen.
‘Zit daar niet te zitten Tom, kom, we gaan naar Frankrijk’.
De volgende nacht was Anna niet meer op haar werk verschenen, maar drie weken later werd er een ansichtkaart in het ziekenhuis bezorgd vanuit Frankrijk. Het was een foto van Bordeaux, en het enige wat er op stand was: ’12 September, Anna en Tom getrouwd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *