Kabeljauw

Ik zeg nooit nee als mijn neef me vraagt mee te gaan vissen. Een dagje vissen op de Noordzee als verjaardagscadeautje voor zijn zwager. Ik ken Jan niet, maar als mannen dezelfde oerinstincten uitleven zijn ze per definitie kameraden.

Wanneer ik tegen zessen IJmuiden binnenrijdt krijg ik het gevoel aan het einde van de wereld te zijn beland. Havenplaatsen hebben altijd die uitstraling. Hier leven andere mensen en er gelden andere wetten. Een andere wereld, de wereld van de zee. Een wereld bevolkt door ruwe bolsters die iets doen op boorplatformen, jackup barges, kotters, trawlers of coasters. Een wereld waar de zilte lucht vooral naar stookolie ruikt en waar een constant achtergrondgeluid van dieselmotoren, wind en zeegeruis de meeuwen dwingen om harder te schreeuwen.

Ik ontmoet neef Bart met zwager Jan op een bijna verlaten parkeerterrein aan het eind van de wereld. Opgewekt hijsen we ons in waterdichte pakken en bewapend met hengels en tassen vol vistuig en proviand voegen we ons bij onze boordgenoten voor de dag. We moeten wachten tot er iemand van de boot het hek naar de aanlegsteigers openmaakt om aan boord te kunnen gaan van de Wahoo, een speciaal voor sportvissers ontworpen boot en ons thuis voor de komende 10 uur.

Eenmaal op het achterdek begint iedereen direct met het optuigen van het visgerei. Hengeldelen worden in elkaar gestoken, lijnen geknoopt, molens worden aangezet en haken en kunstaas zorgvuldig geselecteerd. Ongemerkt is het daglicht binnengeslopen als de jonge schipper de Wahoo beheerst door de haven manoeuvreert richting Noordzee. Als we eenmaal de pieren en de havenlichten achter ons gelaten hebben is het volle kracht vooruit. De turbo’s doen fluitend hun werk, de boeg komt omhoog en de achtersteven drukt zich dieper in het water. De boot trilt van het geweld wat in haar onderbuik wordt opgewekt. De zon zet een oranje boog op de horizon waartegen de rokende schoorstenen van de hoogovens van Tata Steel zwart afsteken. Met 50 km/u is de kust snel uit het zicht verdwenen.

Terwijl ik aan de vibratie, de deining en de herrie probeer te wennen, observeer ik mijn viskameraden. Een kwieke opa met couperosewangen trakteert zijn 20-jarige kleinzoon op een dagje wrakvissen. Hij laveert over het dek op zoek naar een zitplaats. Stabiliteit is niet zijn sterkste punt, maar hij red het naar het opstapje van de kajuit zonder om te vallen. Ik heb al besloten niet op te staan tot we bij het eerste wrak aankomen.

Naast mij zit een man, achter in de dertig, samen met zijn vrouw. Ze zijn gekleed alsof ze naar een jachtpartij moeten, khaki jassen en broeken, en de vrouw draagt van die elegante, peperdure lederen outdoorlaarzen die op een Engels estate niet zouden misstaan. Hij doet iets met boeren en ruilverkaveling hoor ik hem aan de opa vertellen. Achter op het dek zitten twee mannen op omgekeerde emmers. Ze zien er uit alsof ze dit dagelijks doen. Ze dragen vuil oranje zeemanspakken en de kleinste heeft een zwart wollen mutsje op. De ander heeft lang krullend haar wat met verse motorolie gewassen lijkt. Ze drinken blikjes bier en houden zich afzijdig van de rest van het gezelschap.

Neef Bart ziet eruit alsof hij een zware nacht achter de rug heeft, maar zo ziet hij er altijd uit. Hij is de enige van ons drieën die dit vaker heeft gedaan en is goed voorbereid. Hij heeft ook zo’n zeemanspak, grijs-blauw weliswaar. De overall die Jan draagt is ook van Bart, net als zijn hengel. Jan straalt iets uit van een ervaren vader en een onervaren visser. Hij heeft dochters, begreep ik later. Ook voor mij is het de eerste keer dat ik ga vissen op zee. Ik heb een skibroek over een lange onderbroek en een warme trainingsbroek aangetrokken tegen de kou, enige dagen geleden in de douche getest op waterdichtheid. Skiën heb ik nooit gedaan.

Buiten de schipper, een jongeman die onverstoorbaar al rokend en telefonerend aan het stuurwiel zit, is er nog een bemanningslid. Qua omvang wint hij het van iedereen aan boord maar qua lengte delft hij het onderspit. Onaangedaan door de bewegingen van de boot scharrelt hij over het dek. Hij knikt vriendelijk naar me als onze blikken elkaar kruisen, maar praten doet hij alleen met de schipper.

We passeren geankerde schepen en een windmolenpark. De wieken van de meesten staan stil. Het belooft een rustige dag te worden. Vóór ons aan de horizon staan drie platforms in stilte vruchteloze pogingen te doen de pijn van Groningen te verlichten.

De schipper mindert vaart en tikt met zijn wijsvinger op een van de schermen in de stuurhut. We zijn bij het eerste wrak aangekomen. Hij manoeuvreert de boot stroomopwaarts van het wrak. Er klinkt een toeter als teken dat we onze lijnen mogen laten zakken. Ik weet nog net op tijd mijn vislijn in gereedheid te brengen en laat het stuk lood, in de vorm van een visje, naar beneden dwarrelen. Het duurt bijna een halve minuut om het lood de 24 meter naar het wrak te laten afdalen. Nog voordat ik op de bodem ben heeft Jan naast me al beet. Nerveus begint hij te takelen om de vis naar de oppervlakte te krijgen, maar net voor het zover is schiet hij los. ‘Altijd de lijn strak houden meneer’, hoor ik de schipper achter ons commentaren terwijl hij teleurgesteld het schepnet op het dek legt. Jan gooit opnieuw in en heeft meteen weer beet. Een paar seconden later is het bij mij ook raak. Even later liggen er twee kabeljauwen in een piepschuimdoos aan onze voeten. Die van Jan is de grootste, Bart heeft nog niks. Dan klinkt de toeter twee keer ten teken dat de lijnen moeten worden ingehaald. De schipper stuurt de boot weer stroomopwaarts boven het wrak waarna het ritueel zich zal herhalen.

In de tussentijd heb ik even tijd om om me heen te kijken. De oranje pakken hebben al vier kabeljauwen binnengehaald en ook de kleinzoon heeft een vis, maar zit met zijn lijn verstrikt in die van opa. Het jachtechtpaar heeft niets.

Bij de tweede poging wordt er door een van de oranje pakken nog één kabeljauw uit het water gehaald en de schipper besluit naar het volgende wrak te varen. Tijd voor een beker koffie en een boterham.

We varen hooguit een kwartier naar het volgende wrak. De Noordzeebodem ligt er blijkbaar mee bezaaid. Dit keer een onderzeeër. Vis ik nu op iemands graf? Zijn de opvarenden gered of is die boot met man en muis vergaan? Bij ieder volgend wrak vraag ik het mij weer af. Dit keer zit opa’s lijn zo verstrikt in die van de jachtdame, dat alleen een schaar nog uitkomst bied. Eén kabeljauw is hier de volledige oogst. De toeter klinkt twee keer. ‘We gaan weer een stukkie varen’, roept de schipper. Op naar het volgende wrak.

Naar gelang de dag vordert nemen de wind, de animo en de vangsten verder af. De jachtdame heeft het al een tijdje voor gezien gehouden en zit met de ogen dicht in een hoekje van het dek tegen de kajuit geleund. De zon heeft zijn pogingen om door het melkerige wolkendek te komen inmiddels opgegeven. Af en toe wat ondermaatse wijting. We nemen ze toch maar mee. Voordat we huiswaarts keren steekt een zeehond zijn kop uit het water om de concurrentie te bekijken.

Uiteindelijk klinkt de toeter drie keer, het is gedaan. Tijdens de terugreis is er tijd om de vangst schoon te maken. Neef Bart neemt, ervaren als hij is, dit onsmakelijke klusje op zich. Zwager Jan maakt het zich gemakkelijk in een hoekje, slaat zijn armen over elkaar en sluit voldaan zijn ogen. Van ons drieën heeft hij de meeste vis gevangen. Bart glimlacht als ik naar sluimerende Jan wijs. Verjaardagscadeau geslaagd!

De oranje pakken zijn druk doende hun aanzienlijke vangst van ingewanden te ontdoen onder het genot van meer bier en een broodje worst. Uit het niets verschijnen er een twintigtal meeuwen die gretig duiken naar het overboord gegooide afval. Het omvangrijke bemanningslid spuit het dek na de slachting schoon. Een uur later helpen we elkaar gebroederlijk met de vangsten en eigendommen op de aanlegsteiger te hijsen. Er wordt afgerekend, handen geschud en vaarwel gewenst. Zoals de Vikingen terug aan land in Denemarken gewoon weer boer werden, transformeren we geruisloos terug van ruwe bolsters naar redacteur, projectmanager en bibliothecaris.

Om zes uur ’s avonds sta ik thuis aan het aanrecht. Alles deint nog steeds, mijn handen stinken naar vis, mijn skibroek zit onder de schubben. Vis fileren. Mijn hond is onder de indruk. Het alfa mannetje heeft gejaagd!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *